De nieuwe Kleren van de Keizer

Copyright Sprookjesbos Valkenburg“Alleen slimmeriken kunnen mijn kleding zien! Of ben ik belazerd, heel misschien?”


Er was eens een keizer, die hield van heel mooie kleren. Hij gaf er al zijn goud aan uit, om piekfijn te kunnen flaneren. Voor elk uur van de dag, had hij een andere mantel en pak. En schoenen? O zo veel: zwart, groen, rood, met en zonder hak.

De keizer werd steeds vaker chagrijnig, dan had hij slechte zin! Want de kleermakers, die brachten geen mooie kleding meer in. De stoffen had hij allemaal al eens in zijn handen gehad. Het garen was lelijk of hij huilde, omdat er geen glitter op zat.

De dienaren van de keizer hadden het dan ook erg zwaar. Rennen, aankleden, rennen, uitkleden en opbergen maar. Ach en wee, telkens weer, was het niet ontzettend fijn, als er nieuwe kleermakers in het keizerrijk zouden zijn? Op een dag, was er een groot feest in de stad. Het volk had al jaren niet meer zoveel pret gehad! Van heinde en verre kwamen vreemdelingen naar hier, op zoek naar avontuur en vooral, veel plezier.

In de stad waren ook twee vreemde, jonge mannen. Achter in een steegje, maakten zij stiekem sluwe plannen. Want zij hadden gehoord over de keizer en zijn kleren en dachten: die gaan wij een lesje leren! In de ochtend gingen de mannen naar het paleis: “breng ons naar de keizer, we komen helemaal uit Parijs!”. De keizer was nieuwsgierig naar de jonge vreemdelingen, misschien hadden zij wel juwelen en andere mooie dingen!

De sluwe mannen vertelden over hun speciale garens en stoffen, boordevol kleuren en patronen, om zich keizerlijk op te doffen. Maar, zo moest de keizer weten van tevoren, deze bijzondere stof, zou niet iedereen kunnen bekoren! Want, wanneer de garens zijn verweven tot stof, is daarmee de mooiste kleding is gemaakt voor het hof. Maar, alléén slimmeriken kunnen de kleren bewonderen! De rest van de mensen zal zich enkel verwonderen:

“Ben ik te dom, of niet goed genoeg voor mijn baan?”, “Ik zie helemaal niets! Heb is soms iets misdaan?”. De keizer was erg in zijn nopjes met het speciale garen, dat wilde hij wel met eigen ogen ervaren! Hij betaalde de vreemdelingen drie buidels met goudstukken. Snel liet hij gereedschappen en een weefgetouw aanrukken. Tot diep in de nacht waren de mannen druk in de weer, maar ze deden maar alsof, keer op keer.

‘s Ochtends was de keizer heel nieuwsgierig, maar misschien niets kunnen zien, dat was heel onplezierig. Daarom stuurde hij eerst een lakei op de kleermakers af, en daarna, nog enkele leden van zijn staf. Stuk voor stuk vertelden zij over de pracht en praal. De kleuren! De patronen! Echt fenomenaal! De keizer luisterde naar de verhalen en was zeer tevreden, zijn dienaren waren onder de indruk én voldeden!

Maar wat geen enkele lakei of hofdame had durven bekennen, was dat zij nog geen draadje hadden kunnen herkennen! Laat staan, dat zij een stukje stof of kleren hadden gezien, waren zij dan zo dom, of niet goed genoeg, misschien? De keizer, vol van vertrouwen, wilde de kleding nu met eigen ogen aanschouwen. Met goede moed stapte hij de kleedkamer binnen, om zijn prachtige, bijzondere, nieuwe kleren te beminnen.

Vrolijk en voldaan werd hij door de kleermakers ontvangen. En de keizer? Die barstte inmiddels van verlangen. Hij was benieuwd, naar het spel van kleuren en patronen. Heel graag wilde hij zijn nieuwe kleren aan het volk tonen. Snel keek hij rond, op zoek naar de pracht en praal. Maar al wat hij zag, was een lege zaal! Wat was dat nu, waar waren zijn nieuwe kleren? Hij wreef in zijn ogen om het opnieuw te proberen.

Ondertussen, liepen de mannen af en aan: “kijk hoe mooi! Schitterend! Het zal u prachtig staan!”. De keizer begon te twijfelen aan zijn eigen vermogen, en weer wreef hij, en knipperde hij met zijn ogen. Nog altijd zag hij niets, geen draadje of glimp van een stof. Dus besloot ook de keizer te doen alsof! “Oh, wat buitengewoon mooi! Wonderbaarlijk, echt magnifiek! Ik wil mijn nieuwe kleren laten zien, breng me naar het publiek!”.

De keizer pakte zijn juwelen en trok zijn beste schoenen aan. Nog één keer keek hij in de spiegel, voor het naar buiten gaan. “Kom op, doorzetten nu”, sprak hij tegen zichzelf, “de enige die níets ziet, ben je zelf”. Onderweg naar buiten toonde hij zich zoals keizers doen. En de dienaren? Die keken beschaamd naar hun schoen. Alle lakeien twijfelden aan hun eigen slimheid, en de hofdames, die betwistten elkaars eerlijkheid.

Trots liep de keizer, als een echte ijdeltuit, door de straten van de stad, met zijn borst vooruit. De mensen reageerden verrast, dit hadden zij nog nooit gezien! De keizer liep in zijn blootje! Of konden zij de kleren niet zien? Steeds meer mensen kwamen naar buiten. Overal klonk bewondering, en een enkeling begon te fluiten. De keizer was blij, met al deze uitingen van lof. Zie je wel, het ís een prachtige, bijzondere stof!

Geen enkele inwoner durfde ondertussen te wagen, elkaar naar de nieuwe kleren van de keizer te vragen. Zo kwam het dat de keizer, vol trots verder liep. Totdat er plots een klein jongetje, iets heel ergs riep! “De keizer heeft geen kleren aan!”, klonk het vanaf de stoep. Door de straten gonsde steeds meer gehoon en geroep. “Kijk, moet je nu toch eens zien! Het is de waarheid! De keizer heeft geen kleren aan, hij is bloot, hij is misleid!”

Haastig keerde de keizer zich om, en dacht: zijn alle inwoners dan net zo dom? Alleen slimmeriken, kunnen mijn kleding zien! Of ben ik belazerd, heel misschien?


© Sprookjesbos 2015